Rasstandaard


Voor wie de Engelse taal machtig is, vindt u hier de uitgebreide FCI beschrijving van ons prachtige ras.

FCI Breed specific information about the dalmatian


RASSTANDAARD

30-05-2011 FCI-Standaard Nr. 153 DALMATISCHE HOND

Nederlandse vertaling: Annemiek Morgans en Liliane de Ridder Uitgave: Nederlandse Club v. Dalmatische Honden

LAND VAN OORSPRONG: Kroatië
DATUM VAN PUBLICATIE VAN DE OFFICIËLE GELDIGE STANDAARD: 13-10-2010

GEBRUIK: Jachthond, gezelschapshond, gezinshond, geschikt om voor diverse doeleinden opgeleid te worden.

FCI-CLASSIFICATIE:

Rasgroep 6 Lopende honden, zweethonden en verwante rassen Sectie 3 Verwante rassen

Zonder werkproeven

KORT GESCHIEDKUNDIG OVERZICHT:

De oorsprong van de Dalmatische Hond kan worden afgeleid van schilderijen en kerkkronieken van de 16e tot de 18e eeuw. Dalmatische honden treft men aan op het altaarstuk ‘Madonna with Jesus and Angels’ in de kerk ‘Gospa od andjela’ in de stad Veli Losinj op het eiland Losinj in Kroatië, daterend uit 1600-1630, en ook op een fresco in Zaostrog in Dalmatië, Kroatië. Het suggereert dat de Dalmatische Hond zijn oorsprong vindt in het oostelijke Middellandse Zeegebied, in het bijzonder in de historische provincie Dalmatië.

De vroegste beschrijvingen van de Dalmatische Hond zijn aangetroffen in het bisdom Djakovo in Kroatië, met name in de kerkkronieken van bisschop Petar Bakic uit het jaar 1719 en de kerkkronieken van Andreas Keczkemety uit 1737. De hond werd aangeduid met de Latijnse naam ‘Canis Dalmaticus’ en de hoogte van de hond werd aangegeven met 4 - 5 ‘Spithamus’. Thomas Pennant beschreef dit ras in zijn werk ‘Synopsis of Quadrupeds’ in 1771 als zeer zelfstandig, noemde het de ‘Dalmatian’ en schreef de oorsprong van het ras toe aan Dalmatië. In een werk van de hand van Thomas Bewick, gepubliceerd in 1790, wordt naar dit ras verwezen als ‘Dalmatian’ of ‘Coach Dog’. De eerste onofficiële standaard van de Dalmatische Hond werd door de Engelsman Vero Shaw geschreven in het jaar 1882.

Na de oprichting van de Dalmatische Honden Club in Engeland in 1890 werd deze standaard aangemerkt als de eerste officiële rasstandaard. De FCI publiceerde de eerste standaard van de Dalmatische Hond op 7 april 1955 onder de naam ‘Dalmatische Jachthond’.

ALGEMEEN VOORKOMEN:

Het hoofd is mesocephaal (middellang) van type, prismatisch van vorm met hangende oren. Het lichaam is rechthoekig, sterk en gespierd en onderscheidt zich door een karakteristieke bevlekking. Het gangwerk dient elegant te zijn. Het geslachtstype moet duidelijk zichtbaar zijn.

BELANGRIJKE VERHOUDINGEN:

De lichaamslengte : schofthoogte = 10 : 9.
De hoogte van het ellebooggewricht : 50% van de schofthoogte. De hoogte van het spronggewricht: 20 - 25% van de schofthoogte. De lengte van het hoofd: ongeveer 40% van de schofthoogte.
De lengte van de schedel : de lengte van de snuit = 1 : 1

GEDRAG EN KARAKTER:

Aangenaam van karakter, vriendelijk, niet schuw of terughoudend, vrij van nervositeit en agressiviteit. Levendig, zachtaardig, trouw, zelfstandig en gemakkelijk te trainen. De Dalmatische hond houdt van water en buitenactiviteiten. Hij heeft een uitgesproken jachtinstinct.

HOOFD:

Het hoofd moet in verhouding en in harmonie met de rest van het lichaam zijn en mag niet te breed in de schedel zijn. De lengte van de achterhoofdsknobbel tot de stop en vanaf de stop tot de neuspunt verhouden zich als 1 : 1, eventueel is de snuit iets korter. De bovenbelijning van de schedel en die van de voorsnuit verlopen licht divergerend. De kauwspieren en de jukbeenderen moeten niet te uitgesproken zijn. Het hoofd dient geheel vrij van rimpels te zijn.

Schedel:

Schedel: Vlak met een lichte ronding naar de zijkant. Het breedst tussen de oren en goed aangeduide slapen. Een lichte voorhoofdsgroeve.
Stop: matig diep van vorm.

Aangezichtsschedel:

Neus: Groot met wijd open neusgaten, moet volledig gepigmenteerd zijn. De kleur dient overeen te komen met de kleur van de bevlekking.
Snuit: Goed ontwikkelde krachtige kaken, de neusrug is recht.
Lippen: Sterk, moeten de kaak tamelijk nauw omsluiten en mogen niet afhangen of te dik zijn; zonder uitgesproken mondhoek. Een complete pigmentatie is gewenst.

Kaken / tanden: Schaargebit, d.w.z. de bovenste 6 snijtanden omvatten de onderste snijtanden goed zonder tussenruimte, waarbij alle tanden recht in de kaak staan. Een compleet gebit (42 elementen) is gewenst (overeenkomstig de gebitsformule). De elementen zijn gelijkmatig van vorm en wit van kleur. Bij oudere honden is een tanggebit toegestaan.

Ogen: Ovaal, in subfrontale positie en geplaatst onder een hoek van 10-15°. De oogkleur is in overeenstemming met de kleur van de bevlekking. De oogleden liggen dicht tegen de oogbol aan en hangen niet. De oogomranding is volledig gepigmenteerd in overeenstemming met de kleur van de vacht.

Oren: Tamelijk hoog aangezet, dicht tegen de zijkant van het hoofd gedragen. De lengte reikt tot de binnenooghoek of tot de stop. De oorpunt is licht afgerond. De oren hebben de vorm van een gelijkbenige driehoek. Ze zijn fijn van textuur en voelen zacht aan. Het is erg belangrijk dat de oren gevlekt zijn, d.w.z. de oren moeten niet volledig zwart of bruin zijn maar zwart of bruin gevlekt etc.; de bevlekking overeenkomstig de kleurvariëteit op een witte ondergrond.

HALS:
De hals moet krachtig en tamelijk lang zijn, naar het hoofd smaller toelopend en vrij van keelhuid.

LICHAAM:

Rechthoekig, de lichaamslengte verhoudt zich tot de schofthoogte als 10 : 9. Schoft: Goed afgetekend.
Rug: Krachtig, recht.
Lendenen: Kort en gespierd.

Kroep: Gespierd, minder dan 30° hellend.
Borst: Diep en ruim, niet te breed of tonvormig. De borstdiepte dient 45 – 50% van de schofthoogte te bedragen. De hoogte van de elleboog is 50% van de schofthoogte. De ribben zijn goed gewelfd.
Onderbelijning en buik: De buiklijn loopt geleidelijk op maar is niet opgetrokken.

STAART:

In het verlengde van de kroep aangezet. Reikt ongeveer tot aan de hak of iets verder. Krachtig bij de aanzet, wordt geleidelijk smaller richting de punt, niet te dik maar in verhouding tot het lichaam. Sabelvormig gedragen. Bij voorkeur bevlekt.

LEDEMATEN:
Voorhand:
Algemeen voorkomen: De voorbenen moeten in verhouding zijn met het rechthoekige lichaam.
Schouder: De schouderhoeking bedraagt ongeveer 115 – 120°.
Elleboog: Aangesloten en dicht tegen het lichaam.
Voorbeen: De botten zijn in verhouding tot het lichaam ontwikkeld en zijn sterk (rond), de voorhand staat recht en de benen staan verticaal.
Middenvoet (Pols): Sterk, iets schuin en veerkrachtig.
Voorvoeten: De tenen gesloten en compact, typerend zijn de zogenaamde ‘kattenvoeten’. De voetzolen zijn stevig en elastisch. De nagels zijn bij voorkeur gepigmenteerd.

Achterhand:
Algemeen voorkomen: In verhouding tot het lichaam. Met een zeer sterke en goed ontwikkelde bespiering. De achterbenen staan parallel.
Dijbeen: Gespierd en krachtig.
Knie: Sterk en goed ontwikkeld. De hoeking van de knie ongeveer 40 graden ten opzichte van de horizontale lijn.
Spronggewricht: Krachtig.
Middenvoet (spronggewricht): De lengte van het spronggewricht is ongeveer 20 – 25% van de schofthoogte. De hoek van het spronggewricht is ongeveer 130°.
Achtervoeten: De tenen gesloten en compact, typerend zijn de zogenaamde ‘kattenvoeten’. De voetzolen zijn stevig en elastisch. De nagels zijn bij voorkeur gepigmenteerd.

GANGWERK / BEWEGING:

Een gelijkmatige, ritmische gang, een elegante en vloeiende beweging. Bij het lopen en in draf moeten de passen lang zijn met een goede paslengte voor en krachtige stuwing achter. Van voren gezien bewegen de benen parallel.

VACHT:

Haar: Kort, glanzend, hard en dicht over het gehele lichaam.
Kleur: De grondkleur is zuiver wit. Zwarte vlekken bij de zwart gevlekte variëteit, bruine vlekken bij de bruin gevlekte variëteit. De vlekken moeten gelijkmatig verdeeld zijn over het hele lichaam, duidelijk afgetekend en niet overlopend in de witte grondkleur. De afmeting van de vlekken is bij voorkeur gelijk, met een diameter van 2 – 3 cm. Bij de bruine variëteit zijn de vlekken iets kleiner, ongeveer 2 cm in doorsnee. De vlekken op het hoofd en op de benen zijn naar verhouding kleiner dan op de rest van het lichaam. Tevens zijn vlekken op de staart gewenst, die naar verhouding ook kleiner zijn dan die op het lichaam. Ticks op het lichaam zijn niet wenselijk en dienen bestraft te worden. De vlekken horen niet in elkaar over te lopen, d.w.z. geen grote platen te vormen. Platen en kopvlekken zijn niet gewenst. Er moet op toegezien worden dat de oren bevlekt zijn.

MAAT EN GEWICHT:

Schofthoogte: Reuen 56 – 62 cm. Teven 54 – 60 cm.
Honden die uitmunten in type en balans dienen niet bestraft te worden wanneer hun schofthoogte de bovengrens overschrijdt.

FOUTEN:

Elke afwijking van de eerder genoemde punten dient als fout te worden beschouwd , waarbij de beoordeling in juiste verhouding tot de mate van de afwijking dient te staan en tot het effect op de gezondheid en het welzijn van de hond en tot het vermogen om zijn traditionele werk te kunnen uitvoeren.

DISKWALIFICERENDE FOUTEN:

  • Agressieve of bovenmatig angstige honden.
  • Honden die duidelijk lichamelijke- of gedragsafwijkingen vertonen, moeten gediskwalificeerd worden.
  • Een convergerende hoofdbelijning.
  • Het ontbreken van meer dan 6 premolaren, het ontbreken van M3 wordt niet in aanmerking genomen en wordt niet als fout beschouwd.
  • Entropion, ectropion, glasoog, ogen van verschillende kleur (heterochromia), blauwe ogen, een gedeeltelijk blauw gekleurde iris.
  • Een niet gepigmenteerde neus.
  • Krulstaart.
  • Monocle (plaat rond één of beide ogen) of platen elders.
  • Driekleur (zwarte en bruine vlekken op dezelfde hond), gestroomde vlekken, citroen-of oranje kleurige vlekken, blauwe vlekken en een zuiver witte kleur zonder vlekken.
  • Ruwhaar of langhaar.
  • Doofheid.

NB:

  • Reuen dienen twee duidelijk normale teelballen te hebben, die volledig in de balzak zijn afgedaald.
  • Voor het fokken dienen uitsluitend functionele en klinisch gezonde rastypische honden ingezet te worden.